# Kunstencentrum moet aan eind jaar ingebruikneming 3% van totale btw-aftrek herzien

Gepubliceerd: 2011-12-27

In april 2002 heeft een exploitant van een kunstencentrum een integratieheffing voldaan in het tijdvak van ingebruikneming van dit centrum. Van deze integratieheffing is in het tijdvak van ingebruikneming 48% in aftrek gebracht. De inspecteur is van mening dat op basis van de gegevens van het gehele boekjaar van ingebruikneming slechts 45% van deze btw aftrekbaar is. Hij heft daarom een herzieningscorrectie na van 3%. Naar het oordeel van Hof Den Haag is de terbeschikkingstelling van de ruimtes in het kunstencentrum inclusief bijkomstige voorzieningen weliswaar vrijgesteld ([7.8](/kennisbank/kunstencentrum-moet-aan-eind-jaar-ingebruikneming-3-van-totale-btw-aftrek-herzien)), maar is de naheffing ten onrechte omdat de herzieningscorrectie minder bedraagt dan 10%. Hoewel deze 10%-regel van art. 13, lid 4 Uitv.Besch. OB uitsluitend ziet op de herzieningsjaren na het jaar van ingebruikneming is het hof van oordeel dat deze regel ook voor het jaar van ingebruikneming moet gelden ([10.5](/kennisbank/kunstencentrum-moet-aan-eind-jaar-ingebruikneming-3-van-totale-btw-aftrek-herzien)). Naar de mening van A-G Van Hilten is dit oordeel niet juist. De A-G adviseert de Hoge Raad daarom het cassatieberoep van de minister van Financiën gegrond te verklaren.

Vragen over dit onderwerp? [Neem contact op](https://btwinstituut.nl/contact) met één van onze specialisten.
