ViDA komt eraan: de grootste btw-hervorming in decennia. Is uw organisatie klaar voor e-invoicing? Lees meer

25,3% economische verwevenheid onvoldoende voor fiscale eenheid

7 januari 2013 3 min leestijd Door de specialisten van BTW-INSTITUUT

Een holding houdt 100% van de aandelen in drie dochtervennootschappen, die verschillende activiteiten verrichten: de eerste vennootschap (hierna: B.V. 1) exploiteert een in een winkelcentrum gelegen supermarkt, de tweede vennootschap (hierna: B.V. 2) exploiteert onroerend goed, waaronder het pand waarin de supermarkt is gevestigd, en de derde vennootschap (hierna: B.V. 3) exploiteert het energiesysteem in het winkelcentrum. Zij levert tegen vergoeding warmte, koude, elektriciteit en gekoeld water aan de winkels in het winkelcentrum en de appartementen daarboven. De holding vormt samen met B.V. 1 en B.V. 2 een fiscale eenheid voor de btw. B.V. 3 meent dat ook zij tot de fiscale eenheid behoort, omdat de fiscale eenheid de grootste afnemer van B.V. 3 is (22% van de omzet) en zij 3,3% van haar omzet behaalt uit gemeenschappelijke klanten. Dit zorgt volgens B.V. 3 in totaal voor een verbondenheid van 25,3%, waarmee de economische verwevenheid haars inziens vaststaat. De inspecteur is echter een tegengestelde mening toegedaan.

Door Rechtbank Arnhem is in deze zaak in eerste aanleg geoordeeld dat B.V. in economisch opzicht onvoldoende verbonden is met de fiscale eenheid. B.V. 3 heeft tegen deze uitspraak sprongcassatie ingesteld. A-G Van Hilten concludeert dat B.V. 3 terecht niet tot de fiscale eenheid is gerekend. Op grond van staande jurisprudentie is sprake van economische verwevenheid indien de activiteiten van de entiteiten hetzelfde doel hebben (hetgeen aan de orde is als bijvoorbeeld sprake is van een gemeenschappelijke klantenkring) of indien de entiteiten complementaire prestaties verrichten. B.V. 3 heeft deze voorwaarden niet los van elkaar gezien, maar bij elkaar opgeteld, waardoor zij uitkomt op een percentage van in totaal 25,3% economische verwevenheid. Nog los van de vraag of B.V. 3 een optelsom van deze alternatieve voorwaarden mag maken, is een verbondenheid van maximaal 25,3% zonder twijfel onvoldoende, aldus de A-G. Het feit dat de financiële en organisatorische verwevenheid in meer dan voldoende mate aanwezig zijn, zorgt er volgens de A-G niet voor dat de economische verwevenheid daarin wordt ‘meegetrokken’.

B.V. 3 heeft in cassatie nog aangevoerd dat prejudiciële vragen gesteld moeten worden aan het HvJ EU over de reikwijdte van de fiscale eenheid. Volgens de A-G is hier echter geen noodzaak toe, omdat sprake is van een duidelijke zaak.

Zie 1.10 voor meer informatie over de fiscale eenheid.

Zekerheid begint met een gesprek

Plan een gesprek met één van onze specialisten en krijg helderheid over uw btw-vraagstukken. Wij denken met u mee over de beste aanpak voor uw specifieke situatie.