ViDA komt eraan: de grootste btw-hervorming in decennia. Is uw organisatie klaar voor e-invoicing? Lees meer

Kennisbank

Kennisbank

Verdiepende artikelen over btw, compliance en fiscale risico's, nieuwsberichten en actuele ontwikkelingen. Geschreven door onze specialisten, voor professionals die voorop willen lopen.

Kennisbank

Archief 29 november 2011

Btw-vrijstelling: Ook na provisieverbod assurantietussenpersonen ruime uitleg btw-vrijstelling

Het bemiddelen bij de totstandkoming van een verzekering is vrijgesteld. Maar wanneer is sprake van bemiddeling? Een assurantietussenpersoon bemiddelt indien hij het nodige doet om twee partijen, de verzekeraar en de verzekerde, bij elkaar te brengen. Het adviseren over verzekeringen is belast met 19% btw. Waar de van btw-heffing vrijgestelde bemiddeling ophoudt en het btw-belaste advies begint, is lastig aan te geven. De bewijslast dat sprake is van vrijgestelde bemiddeling rust op de assurantietussenpersoon. Thans kan de assurantietussenpersoon aan de hand van de ontvangen provisie bewijzen dat er sprake is geweest van (succesvolle) bemiddeling. Met ingang van 2013 komt hieraan een einde door het provisieverbod. Niettemin heeft het Ministerie van Financiën verzekerd dat aan de (ruime) uitleg van het begrip bemiddeling niet wordt getornd. Over pure adviesdiensten, zoals een second opinion over de (on)juistheid van het advies van een andere assurantietussenpersoon, is 19% btw verschuldigd. Ook periodieke adviezen met het karakter van informatieverschaffing op basis van een abonnement en betalingen voor het verstrekken van (hypotheek)leads zijn volgens het Ministerie van Financiën belast met 19% btw. De directe beloningen voor diensten die een assurantietussenpersoon verricht in zijn hoedanigheid en binnen zijn expertisegebied blijven volgens het Ministerie van Financiën vrijgesteld van btw-heffing. Deze toezegging is natuurlijk mooi, maar laat onverlet dat de assurantietussenpersoon moet kunnen bewijzen dat hij de vergoeding die de cliënten (direct) betalen in zijn hoedanigheid als assurantietussenpersoon ontvangt. De assurantietussenpersoon doet er daarom verstandig aan om de correspondentie met cliënten (en evt. de correspondentie met de verzekeraars, zoals opgevraagde offertes etc.) vast te leggen. Tevens is het aan te bevelen om op de factuur te vermelden als de vergoeding in rekening wordt gebracht voor de bemiddeling. Bron: AssurantieMagazine?

Lees verder
Archief 29 november 2011

Onroerend goed: Door aanleg rotonde geen bouwterrein

De levering van onroerend goed is onder te verdelen in de levering van bebouwde grond en de levering van onbebouwde grond. De levering van bebouwde grond is vrijgesteld, tenzij een gebouw met het erbij behorend terrein geleverd wordt dat niet langer dan twee jaar in gebruik genomen is (de optie voor de belaste levering blijft in deze nieuwsbrief buiten beschouwing). De levering van onbebouwde grond is vrijgesteld, tenzij sprake is van een bouwterrein. Voor een schematisch overzicht zie 7.4. Bij (volledige) sloop van een gebouw verandert de bebouwde grond op enig moment in onbebouwde grond. De grote vraag is: op welk moment? Indien een oud gebouw volledig door of voor rekening van de verkoper gesloopt wordt en op het tijdstip van levering is een begin gemaakt met de sloop, is volgens het Don Bosco Onroerend Goed BV-arrest van het HvJ EU sprake van een levering van onbebouwde grond. Naar onze mening geldt dit eveneens indien wel een volledige sloop van het gebouw door of voor rekening van de verkoper overeengekomen is, maar ten tijde van de levering nog geen begin gemaakt is met de sloop. Indien de verkoper en de koper allebei een deel van de sloopwerkzaamheden (laten) verrichten en het gebouw ten tijde van de levering gedeeltelijk gesloopt is, is het tot op heden onduidelijk of onbebouwde grond geleverd is. Naar onze mening is te verdedigen dat sprake is van onbebouwde grond indien het gebouw door de overeengekomen sloophandelingen van de verkoper niet meer als zodanig kan functioneren. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het onduidelijk of het HvJ EU deze zienswijze onderschrijft. Wie volledig zeker wil zijn van de levering van onbebouwde grond, doet er daarom verstandig aan om (schriftelijk) overeen te komen dat het gebouw volledig door of voor rekening van de verkoper gesloopt zal worden. Op dit moment is het nog niet duidelijk of de volledige sloop van een gebouw met het oog op het realiseren van nieuwbouw reeds een bouwterrein oplevert. De Hoge Raad heeft ook hierover om uitleg gevraagd aan het HvJ EU. Om thans met zekerheid een bouwterrein te kunnen leveren is daarom meer nodig dan onbebouwde grond. Hierbij moet gedacht worden aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, een bewerking aan de grond of een voorziening aan de grond dan wel in de omgeving van de grond met het oog op de bebouwing. Het is belangrijk dat de omgevingsvergunning dan wel de ingreep aan of in de omgeving van de onbebouwde grond met het oog op de bebouwing van de grond plaatsvindt. Dit is volgens Rechtbank Breda niet het geval bij het aanleggen van een rotonde (voorziening) in de omgeving van onbebouwde grond met het oogmerk om de verkeersveiligheid en de verkeersdoorstroming te verbeteren. Voor meer informatie over bouwterreinen zie 7.6. ?

Lees verder
Archief 29 november 2011

Stichting kan geen beroep doen op leerstuk kosten voor gemene rekening

Indien meerdere partijen de kosten van een personeelslid wensen te delen en dit personeelslid staat bij één van de partijen, de penvoerder, op de loonlijst dan kan dit (onder voorwaarden) op basis van het leerstuk van kosten voor gemene rekening zonder btw. Dit leerstuk is ontwikkeld in de rechtspraak. Voor een uitleg van de voorwaarden voor de toepassing van dit leerstuk zie 4.19. Echter, partijen kunnen dit leerstuk slechts toepassen indien partijen ten aanzien van het personeel waarvan de kosten verdeeld worden allen materieel optreden als werkgever. Het is onvoldoende dat de financiële risico’s verdeeld worden. Een stichting die kosten van (administratief) personeel volgens een vaste verdeelsleutel doorberekent aan scholen zonder dat de scholen werkgeversbemoeienis met dit personeel hebben, kan naar het oordeel van Rechtbank Haarlem geen beroep doen op het leerstuk van kosten voor gemene rekening. Dit betekent dat de stichting over de doorberekende kosten terecht 19% btw op aangifte heeft voldaan. Voor deze uitspraak zie 4.19.

Lees verder
Archief 29 november 2011

Tarief: Ook bij binnensportaccommodaties geen aanvullende voorzieningen nodig voor 6% btw

In mei 2011 heeft de staatssecretaris aan de Tweede Kamer medegedeeld dat hij de terbeschikkingstelling van aanvullende voorzieningen, zoals kleed- en doucheruimten, in het nieuwe beleid niet langer als voorwaarde zou stellen voor het toepassen van 6% op de exploitatie van sportaccommodaties. De staatssecretaris deed dit in reactie op Kamervragen over buitensportaccommodaties. Bij het verschijnen van het nieuwe besluit op 27 oktober jongstleden (zie 5.2) was deze voorwaarde voor de exploitatie van buitensportaccommodaties inderdaad geschrapt. Voor de exploitatie van binnensportaccommodaties stond deze eis er nog wel in. De staatssecretaris heeft aangegeven dat dit onderscheid tussen de voorwaarden voor de exploitatie van buiten- en binnensport-accommodaties niet bedoeld is. Om die reden heeft hij in de Staatscourant een rectificatie geplaatst (zie 5.2) op grond waarvan de eis van de terbeschikkingstelling van aanvullende voorzieningen ook geschrapt wordt voor binnensportaccommodaties. ?

Lees verder
Archief 28 november 2011

Geen integratieheffing voor gebruik stadskantoor als niet-ondernemer (overheid)

Gemeenten zijn voor hun ‘typische’ overheidsactiviteiten geen btw-ondernemer (zie 1.5). In een procedure voor Hof Den Bosch gaat het om de vervaardiging (vernieuwbouw) van een stadskantoor. Dit stadskantoor zal voor 94% gebruikt worden voor ‘typische’ overheidsactiviteiten, voor 5% voor btw-belaste ondernemersactiviteiten en voor 1% voor vrijgestelde ondernemersactiviteiten. De bouwkosten bedragen ruim 1,8 miljoen euro (incl. € 287.999 btw). In geschil is of de btw op de bouwkosten in aftrek gebracht mag worden vanwege een intgratieheffing. Hof Den Bosch is van oordeel dat 6% van het stadkantoor intern geleverd wordt waardoor 6% van de btw op de vernieuwbouwkosten voor aftrek in aanmerking komt. Omdat de inspecteur een teruggave van 6% heeft verleend, is het gelijk aan zijn zijde. Voor deze uitspraak en informatie over de integratieheffing zie 2.2.

Lees verder
Archief 28 november 2011

Management door pensioenfondsen opgerichte vastgoedvennootschappen vrijgesteld van btw

Het beheer van ter collectieve belegging bijeengebracht vermogen is vrijgesteld. Naar het oordeel van Hof Den Bosch kwalificeren ook door pensioenfondsen opgerichte vastgoedvennootschappen die kapitaal verkrijgen door de uitreiking van aandelen en het rendement uitbetalen als dividend als ter collectieve belegging bijeengebrachte vermogens. De vervolgvraag is of het management van deze vastgoedvennootschappen kwalificeert als vrijgesteld beheer. Naar het oordeel van het hof moet het management gesplitst worden in meerdere diensten. Het hof onderscheidt diensten met betrekking tot het verhuren van de onroerende zaken, administratieve diensten van algemene aard (financiële verslaglegging, gegevensverwerking en interne accountantscontrole) en het voeren van de directie over de vastgoedvennootschappen. Naar het oordeel van het hof zijn al deze diensten kenmerkend en essentieel voor het beheer van vastgoedvennootschappen. Om die reden is de btw-vrijstelling van toepassing op al deze diensten. Voor deze uitspraak en meer informatie over de btw-vrijstelling voor het beheer van ter collectieve belegging bijeengebracht vermogen zie 8.3.1.8.

Lees verder
Archief 25 november 2011

Vanuit Zimbabwe (verwijtbaar) te laat bezwaar ingediend tegen naheffingsaanslag btw en vergrijpboete van 100%

Een B.V. waarvan de directeur in Zimbabwe zit moet toereikende maatregelen nemen om de post te verwerken, aldus Hof Amsterdam. Indien de B.V. dit nalaat en een naheffingsaanslag van € 1.020.249 plus een vergrijpboete van 100%(!) pas na vijf weken in Zimbabwe ontvangen wordt, is het feit dat hierdoor (te) weinig tijd resteert om een bezwaarschrift op te stellen voor rekening van de B.V. Dat de B.V. een koerier inschakelt -de duurste manier van verzending- om dit bezwaarschrift tijdig te bezorgen, levert geen verschoonbare termijnoverschrijding op indien het bezwaarschrift ruim na het verstrijken van de bezwaartermijn door de inspecteur is ontvangen. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van de B.V. tegen de uitspraak van Hof Amsterdam zonder nadere motivering afgedaan.

Lees verder
Archief 21 november 2011

Kabinet kijkt naar btw-vrijstelling Cultuurkaart

Het kabinet is van zins om in 2012 de Cultuurkaart af te schaffen. Met deze Cultuurkaart kunnen scholieren van het voortgezet onderwijs 15 euro besteden aan een theater-, bioscoop- of museumbezoek. De bekostiging van deze kaarten kost de Staat jaarlijks 15,5 miljoen euro. Staatssecretaris Zijlstra voelt er weinig voor om af te zien van de bezuinigingsmaatregel. Naar zijn mening is het aan de scholen zelf om de Cultuurkaart aan te schaffen of niet. Wel heeft hij aangegeven dat het kabinet bereid is om te onderzoeken of deze kaart door scholen zonder btw kan worden aangeschaft.

Lees verder
Archief 18 november 2011

Aanleg rotonde voor verkeersdoeleinden doet geen bouwterreinen ontstaan

De levering van onbebouwde grond is vrijgesteld van btw-heffing, tenzij sprake is van een bouwterrein. Van een bouwterrein is sprake indien met het oog op de bebouwing van de grond fysieke werkzaamheden zijn verricht, aan de grond dan wel in de omgeving van de grond voorzieningen zijn getroffen of een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit is afgegeven. De aanleg van een rotonde met het oog op de verbetering van de verkeersveiligheid en verbeterde doorstroming van het verkeer kwalificeert naar het oordeel van Rechtbank Breda niet als een voorziening in de omgeving van de onbebouwde grond met het oog op de bebouwing van de grond. Omdat op het tijdstip van levering ook niet aan de overige criteria voor een bouwterrein was voldaan, is de levering van die onbebouwde grond (met de bestemming nieuwbouw) naar het oordeel van de rechtbank vrijgesteld van btw-heffing. Voor de uitspraak van de rechtbank en meer informatie over bouwterreinen zie 7.6.

Lees verder
Archief 18 november 2011

Geen terugbetaling gecompenseerde btw stadskantoor bij toename vrijgestelde verhuur na ingebruikneming

Gemeenten zijn voor hun ‘typische’ overheidsactiviteiten geen btw-ondernemer (zie 1.5). Om te voorkomen dat gemeenten geen dan wel minder goederen of diensten (met btw) inkopen bij derden is in 2003 de Wet BCF ingevoerd. Op grond van deze wet kunnen gemeenten de btw op de kosten die toerekenbaar zijn aan deze overheidsactiviteiten in beginsel compenseren. Voor onroerende goederen wordt de gecompenseerde btw -net als bij btw-ondernemers- gedurende 9 jaren na het jaar van ingebruikneming gevolgd. In het huidige art. 8, lid 4 Uitv.Reg. BCF staat aangegeven dat herziening van de gecompenseerde btw achterwege blijft ingeval met betrekking tot het goed of het deel daarvan, waarvan het gebruik is gewijzigd btw-aftrek heeft plaatsgevonden of had kunnen plaatsvinden en deze aftrek niet kan worden herzien. Een gemeente die een stadskantoor in 2004 gebruik neemt voor overheidsactiviteiten (93%), btw-belaste ondernemersactiviteiten (6%) en vrijgestelde ondernemersactiviteiten (1%) en in 2006 en 2007 een groter gedeelte van dit kantoor gebruikt voor vrijgestelde ondernemersactiviteiten (verhuur), hoeft naar de mening van A-G Van Hilten geen (gecompenseerde) btw te herzien. De A-G adviseert de Hoge Raad het beroep van de staatssecretaris ongegrond te verklaren.

Lees verder
Archief 17 november 2011

Europees Parlement wil btw-verlaging digitale boeken, kranten en tijdschriften

De levering van boeken, periodieken etc. mag binnen de EU belast worden met het verlaagde btw-tarief. Nederland heeft van deze mogelijkheid gebruikt gemaakt en belast dergelijke goederenleveringen met 6% btw. De verkoop van een digitaal boek, tijdschrift, krant etc. is een dienst die thans in de EU belast moet worden tegen het algemene btw-tarief (in Nederland bedraagt dit 19%). Het Europees Parlement wil van dit onderscheid af. Het heeft daarom middels een ontwerpresolutie aan de Europese Commissie verzocht om dit onderscheid op te heffen. Kort gezegd acht het Europees Parlement dit onderscheid tussen hardcopy en digitaal niet meer van deze tijd. Voor meer informatie over de reikwijdte van het verlaagde btw-tarief voor de levering van boeken etc. wordt verwezen naar de Toelichting op Tabel I (zie 5.2).

Lees verder
Archief 17 november 2011

Niet voldane en ook niet meer na te heffen invoer-btw niet aftrekbaar

Een btw-ondernemer heeft recht op aftrek van de voldane of verschuldigde invoer-btw indien hij de ingevoerde goederen voor aftrekgerechtigde bedrijfsdoeleinden gebruikt (bijv. btw-belaste doorverkoop aan derden). Indien de door een btw-ondernemer overgelegde oorsprongaangifte achteraf onjuist blijkt te zijn en dientengevolge alsnog invoer-btw wordt nageheven, kan deze nageheven btw in beginsel in aftrek worden gebracht. Echter, er zijn bijzondere omstandigheden denkbaar waarin de invoer-btw niet voldaan is en de voldoening ook niet meer in rechte afdwingbaar is. Dat de vordering niet meer in rechte afdwingbaar is, laat onverlet dat de vordering niet tenietgaat maar omgezet wordt in een natuurlijke verbintenis. In een dergelijke situatie is naar de mening van Advocaat-Generaal Sharpston geen sprake meer van verschuldigde invoer-btw die voor aftrek in aanmerking komt. Zij adviseert het HvJ EU in gelijke zin te beslissen. Voor deze conclusie en informatie over de aftrekbare invoer-btw zie 10.1.3.

Lees verder
Archief 16 november 2011

Verkoop kortingskaarten belast met 19% btw

In het besluit van 30 december 1999, nr. VB99/2649 staat aangegeven dat kortingsbonnen -anders dan een cadeaubon- niet kwalificeren als waardepapieren. Dit betekent dat de verkoop van kortingsbonnen niet vrijgesteld, maar belast is met 19% btw. Een B.V. die kortingsbonnen uitgeeft en verkoopt kan hierop naar het oordeel van Rechtbank Breda daarom niet de btw-vrijstelling voor financiële handelingen toepassen. Zie voor dit beleidsbesluit en de uitspraak van de rechtbank 8.3.1.6 van het btw-handboek.

Lees verder
Archief 15 november 2011

Nieuw besluit nultarief uitvoer reizigersbagage

De levering van goederen die worden uitgevoerd is belast met 0% btw. Dit geldt ook indien de goederen (met een waarde van minimaal € 50 incl. btw) geleverd worden aan particulieren (veelal toeristen) die deze goederen in hun bagage meenemen naar het land buiten de EU waar de particulier woont dan wel binnen afzienbare tijd (binnen 3 maanden na aankoop) gaat wonen. Omdat de leverancier van de particulier afhankelijk is voor het bewijs dat de goederen de EU hebben verlaten (voor uitvoer uit de EU afgestempeld douanedocument of voor invoer afgestempeld douanedocument in land buiten de EU) betaalt de particulier normaliter gewoon de prijs incl. 19% btw. Na inlevering van de stukken al dan niet via een faciliterende organisatie- krijgt de particulier deze 19% btw terug. Een andere mogelijkheid is een cheque-systeem. Het voordeel van dit systeem is dat de particulier de cheque, voorzien van de vereiste ambtelijke verklaring, direct na uitvoer de cheque te gelde kan maken bij een uitbetalingskantoor. Door tussenkomst van de faciliterende ondernemer ontvangt de leverancier de cheque ter staving van het nultarief. Voor de regels voor uitvoer en het besluit inzake de uitvoer van reizigersbagage zie 9.3.

Lees verder
Archief 15 november 2011

Rectificatie beleid gelegenheid geven tot sportbeoefening

Het geven van gelegenheid geven tot sportbeoefening in een sportaccommodatie is belast met 6% btw. In de op 2 november 2011 gepubliceerde Toelichting op Tabel I behorende bij de Wet op de omzetbelasting 1968 (zie 5.2) staat in de toelichting op post b.3 opgenomen dat het voor de exploitatie van buitensportaccommodaties niet (meer) nodig is om aanvullende voorzieningen, zoals kleed- en doucheruimten, ter beschikking te stellen. Voor binnensportaccommodaties staat deze eis van de terbeschikkingstelling van aanvullende voorzieningen nog onverkort in het besluit. Dit onderscheid is echter niet bedoeld. Om die reden is door middel van een rectificatie aangegeven dat ook bij binnensportaccommodaties niet langer de terbeschikkingstelling van aanvullende voorzieningen is vereist. Voor deze rectificatie zie 5.2.

Lees verder
Archief 14 november 2011

Bijzondere regelingen

Verkoop winkelvoorraad en -uitrusting door verhuur benodigde winkelruimte onbelast?? De overdracht van een onderneming ‘going concern’ is op grond van art. 37d Wet OB niet belast met btw. Het voordeel van deze bijzondere regeling is dat de koper van de onderneming geen btw moet voorfinancieren en de verkoper niet per overgedragen goed/dienst moet bepalen of, en zo ja, hoeveel btw verschuldigd is. In de praktijk moet per individueel geval getoetst worden of hetgeen de verkoper overdraagt een onderneming going concern vormt. Bij die beoordeling is het relevant of de koper met de door de verkoper overgedragen goederen en/of diensten (voorraad, de winkeluitrusting, de winkelruimte, personeel, lopende contracten, cliëntenportefeuille, handelsnaam, licenties, etc.) een onderneming kan voortzetten. Indien een exploitant van een sportwinkel de winkelvoorraad en -uitrusting overdraagt en daarnaast de winkelruimte voor onbepaalde tijd verhuurt, rijst de vraag of dit voldoende is voor een onbelaste overdracht van een onderneming. In het Christel Schriever-arrest heeft HvJ EU deze vraag (in beginsel) bevestigend beantwoord. Voor een onbelaste overdracht van een winkel is het dus niet noodzakelijk om (ook) de winkelruimte te verkopen. De vraag is echter of ook de verhuurdienst onder de bijzondere regeling valt. In de betreffende procedure was niet in geschil dat de verhuur zelf niet, maar uitsluitend de overgedragen winkelvoorraad en -uitrusting onder de bijzondere regeling vallen. De rechtspraak van de Hoge Raad is hiermee in overeenstemming. Naar het oordeel van ons hoogste rechtscollege vallen langlopende diensten, zoals de verhuur van winkelruimte en het detacheren van personeel, buiten de reikwijdte van deze bepaling. De doorlopende diensten, zoals de verhuur van winkelruimte en het detacheren van personeel, door de verkoper aan de koper moeten dus wel worden meegenomen om te bepalen of een onderneming going concern is overgedragen, maar delen niet in de bijzondere regeling. Dat in de procedure van Christel Schriever de verhuur van winkelruimte meegenomen moet worden is van belang omdat alleen de overdracht van een winkelvoorraad en -uitrusting onvoldoende is voor een overdracht van een onderneming. In 11.5 vindt u meer informatie over de bijzondere regeling voor de overdracht van een onderneming en kunt u de betreffende arresten van het HvJ EU en de Hoge Raad downloaden. ?

Lees verder
Archief 14 november 2011

Formeel

Geen vergrijpboete als btw-ondernemer mocht vertrouwen op deskundige? De inspecteur die een vergrijpboete oplegt, moet bewijzen dat het aan grove schuld dan wel (voorwaardelijk) opzet van de btw-ondernemer te wijten is dat er te weinig btw is voldaan of teveel btw is teruggekregen. Indien een btw-ondernemer vanwege zijn gebrek aan fiscale kennis een deskundige inschakelt om zijn btw-verplichtingen te regelen, mag de eventuele grove schuld of opzet van deze deskundige niet automatisch worden toegerekend aan de btw-ondernemer. De inspecteur die een vergrijpboete wil opleggen aan de btw-ondernemer moet bewijzen dat de btw-ondernemer had moeten twijfelen aan de deskundigheid of zorgvuldige taakvervulling van de deskundige. Dit is recent bevestigd door zowel Hof Amsterdam als Hof Arnhem. Deze uitspraken laten zien dat het toetsen van de rechtmatigheid van de opgelegde vergrijpboeten tot gevolg kan hebben dat deze volledig moeten worden vernietigd. Gezien de hoogte van de vergrijpboeten -veelal 25% of 50% van de nageheven btw- is dit in de praktijk het eerste punt om geld te ‘verdienen’ voor de cliënt. Check daarom -ook indien de naheffingsaanslag zelf niet ter discussie staat- altijd of de aan de btw-ondernemer opgelegde boete door de beugel kan! ?

Lees verder
Archief 14 november 2011

Onroerend goed

Wat is het btw-risico voor de koper bij een onterechte optie voor een belaste levering?? De levering van gebouwen die reeds meer dan twee jaren in gebruik zijn, is in beginsel vrijgesteld van btw-heffing. Omdat de aftrek met betrekking tot gebouwen gedurende 9 boekjaren na het boekjaar van ingebruikneming gevolgd wordt (zie 10.5), kan een vrijgestelde doorlevering van het gebouw de terugbetaling van een (fors) deel van de genoten aftrek tot gevolg hebben. Om dit btw-nadeel (dat de verkoper zal willen afwentelen op de koper) te voorkomen kunnen verkoper en koper kiezen voor een btw-belaste levering. Een dergelijke keuze is slechts mogelijk indien de koper het gekochte zowel in het boekjaar van levering als het daaropvolgende boekjaar (de zogenoemde referentieperiode) minimaal voor 90% gebruikt voor aftrekgerechtigde activiteiten. De keuze voor een belaste levering moet blijken uit de notariële akte van levering of moet door middel van een gezamenlijk verzoek kenbaar worden gemaakt aan de inspecteur. Indien een gezamenlijk verzoek gedaan wordt, beslist de inspecteur bij een voor bezwaar vatbare beslissing (zie 7.5). Uitgaande van de situatie dat de verkoper de aanschaf-btw (deels) in aftrek heeft gebracht, heeft de keuze voor een btw-belaste levering tot gevolg dat deze (gedeeltelijke) aftrek bij de verkoper in stand blijft. De koper moet 19% verlegde btw op aangifte voldoen en mag deze in aftrek brengen voor zover hij het gekochte voor aftrekgerechtigde activiteiten gaat gebruiken. Daarnaast(!) moet de koper in beginsel 6% overdrachtsbelasting voldoen ter zake van de verkrijging van de onroerende zaak. De koper moet zich echter goed bewust zijn van de risico’s die aan de optie verbonden zijn. Niet alleen gaat er voor hem een nieuwe herzieningstermijn lopen van het boekjaar van ingebruikneming en de daaropvolgende 9 boekjaren, maar hij moet in de referentieperiode (boekjaar levering en daaropvolgende boekjaar) ook voldoen aan het ’90%-criterium’. Lukt dat niet, dan is de levering van het gebouw aan hem alsnog vrijgesteld van btw-heffing. De inspecteur kan in dat geval de door de verkoper (alsnog) verschuldigde btw (herzienings-btw, btw op notariskosten, advieskosten en andere kosten in verband met de levering) naheffen bij de koper. Uit de wettekst van art. 12a Wet OB blijkt niet duidelijk dat ook de door de verkoper terug te betalen herzienings-btw bij de koper moet worden nageheven. Hof Den Haag heeft op basis van deze onduidelijke tekst van art. 12a Wet OB geoordeeld dat de herzienings-btw niet, maar de btw op de notariskosten en advieskosten in verband met de levering etc. wél bij de koper kan worden nageheven. De Hoge Raad is echter -mede gelet op de parlementaire geschiedenis- van oordeel dat art. 12a Wet OB niet alleen betrekking heeft op de btw op de notariskosten, advieskosten in verband met de levering, maar ook op de herzienings-btw. Toch twijfelt de Hoge Raad of de herzienings-btw op grond van het Unierecht bij de koper mag worden nageheven. De Hoge Raad heeft daarom om uitsluitsel gevraagd aan het HvJ EU (zie voor dit arrest 7.5). Wat betekent dit voor de praktijk? Kopers die geconfronteerd worden met een voldoeningsverplichting/naheffing vanwege een (achteraf bezien) onterechte keuze voor een btw-belaste levering doen er verstandig aan om tegen deze voldoening op aangifte dan wel de naheffingsaanslag (tijdig) bezwaar te maken en te verzoeken om aanhouding van de beslissing op het bezwaar totdat de Hoge Raad met inachtneming van het arrest van het HvJ EU een beslissing heeft genomen over de omvang van het btw-risico voor de koper bij een onterechte keuze voor een belaste levering. ?

Lees verder
Archief 14 november 2011

Uitstel verhoging btw-tarief voor ren-, rij-, spring-, dressuur- en manegepaarden

Tot op heden is de levering van alle paarden belast met 6% btw. Dit is in strijd met het Unierecht. Op grond van het Unierecht mag alleen de levering van ‘slachtpaarden’ belast worden met 6% btw. Het Wetsvoorstel aanpassing tarief levende dieren beoogt de Nederlandse btw-wetgeving op dit punt in overeenstemming te brengen met de btw-richtlijn en de uitleg daarvan door het HvJ EU. Een amendement van de Partij voor de Dieren om de diensten door dierenartsen aan gezelschapsdieren, zoals honden en katten, onder het verlaagde btw-tarief te brengen, haalde het niet. Ook een motie van dezelfde partij om het btw-tarief voor de levering van (veel geconsumeerd) dierlijk voedsel, zoals vlees en vis, te verhogen naar 19% haalde het niet. Een motie die het wel haalde, is die van Omtzigt (CDA) en Nepperus (VVD). Deze motie bewerkstelligt dat de beperking van het verlaagde tarief tot de levering van slachtpaarden uitgesteld wordt. Waarom? Om te voorkomen dat Nederland eerder dan Duitsland en Frankrijk, die evenals Nederland het btw-tarief ten onrechte toepassen op de levering van andere paarden dan slachtpaarden, zijn btw-wetgeving aanpast. Een eerdere beperking van het lage btw-tarief tot de levering van slachtpaarden zou namelijk tot een concurrentienadeel kunnen leiden voor de Nederlandse paardenmarkt. Om die reden is een brief gestuurd naar de Europese Commissie teneinde de betreffende aanpassing van de wetgeving in Duitsland, Frankrijk en Nederland op hetzelfde moment te laten plaatsvinden. De Nederlandse handelaren in ren-, rij-, spring-, dressuur- en manegepaarden kunnen daarom -al is het maar voor even- genieten van het verlaagde btw-tarief. Zie 5.2 voor de vraag welke goederenleveringen/diensten onder het tarief van 6% btw vallen.?

Lees verder
Archief 11 november 2011

Geen teruggaaf oninbare btw bij schijntransacties

Een btw-ondernemer die ‘krediet’ verleent door aan afnemers in financiële moeilijkheden facturen met hoge bedragen te sturen zodat deze btw door de afnemers in aftrek gebracht kan worden, kan deze in rekening gebrachte btw naar het oordeel van Hof Amsterdam niet terugvragen vanwege de oninbaarheid van de vordering. De btw is namelijk niet terecht in rekening gebracht ter zake van reële diensten, maar ter zake van schijntransacties. De ten onrechte op de factuur vermelde btw is daarom verschuldigd op grond van art. 37 Wet OB en komt niet voor herziening in aanmerking omdat deze btw door de afnemers in aftrek is gebracht. Voor meer informatie over het terugvorderen van btw op oninbare vorderingen zie 4.14. De voorwaarden voor de herziening van ten onrechte gefactureerde btw zijn te vinden in 14.3.

Lees verder
Archief 11 november 2011

Intracommunautaire verwerving tandprothesen vrijgesteld van btw

Reeds diverse malen is door rechtbanken geoordeeld dat de intracommunautaire verwerving van door een buitenlandse tandtechnicus geleverde tandprothesen vrijgesteld is van btw-heffing. De staatssecretaris blijft echter volharden in zijn standpunt dat deze verwerving belast is met 19% (voor tandartsen en tandtechnici niet-aftrekbare) btw. Rechtbank Haarlem heeft onlangs opnieuw geoordeeld dat de intracommunautaire verwerving van door buitenlandse tandtechnicus geleverde tandprothesen vrijgesteld is van btw-heffing. Voor deze uitspraak en de stand van zaken omtrent de invoer en intracommunautaire verwerving van tandprothesen zie 8.2.1.

Lees verder
Archief 11 november 2011

Opnieuw prejudiciële vragen over houdbaarheid BUA?

Het BUA blijft de gemoederen bezighouden. Hoewel het HvJ EU in het X Holding-arrest ten aanzien van een aantal aftrekuitsluitingen duidelijk maakte dat deze door de unierechtelijke beugel kunnen, staat dit ten aanzien van een aantal aftrekuitsluitingen nog steeds niet vast. De onduidelijkheid over de (on)verbindendheid betreft de aftrekuitsluitingen voor het verstrekken van loon in natura aan het personeel, overige personeelsverstrekkingen en de kantineregeling. Advocaat-Generaal heeft in een cassatieprocedure waarin de (on)verbindendheid van ‘loon in natura’ en kantineregeling aan de orde zijn aan de Hoge Raad geadviseerd om uitleg te vragen aan het HvJ EU. Het is naar haar mening niet duidelijk of het HvJ EU in zijn oordeel over de kantineregeling rekening heeft gehouden met de verhoging van de aftrekuitsluiting (van 6% naar 7%, van 7% naar 8%) die uiteindelijk weer zijn teruggedraaid. Tevens is onduidelijk of het HvJ EU rekening heeft gehouden met feit dat tot de inwerkintreding van de Zesde Richtlijn een btw-vrijstelling (en geen aftrekuitsluiting) gold voor kantineverstrekking. Het is om die reden onduidelijk of van een handhaving van een bestaande aftrekuitsluiting kan worden gesproken. Tot slot is het onduidelijkheid of het oordeel van de Hoge Raad, inhoudende dat de aftrekuitsluiting voor ‘loon in natura’ onvoldoende bepaald is, stand kan houden in het licht van het (nadien gewezen) X Holding-arrest. Voor de conclusie en de reikwijdte van de aftrekuitsluitingen zie 10.3.4.

Lees verder
Archief 10 november 2011

Gelijk btw-behandeling kansspelen die door consument als soortgelijk worden ervaren

Het beginsel van de fiscale neutraliteit vereist dat soortgelijke prestatie voor de btw-heffing gelijk worden behandeld. Het is volgens het The Rank Group-arrest van het HvJ EU niet noodzakelijk dat een daadwerkelijke concurrentieverstoring bewezen is; de mogelijkheid daartoe is voldoende voor een schending van voornoemd beginsel. Dat kansspelen onder verschillende vergunningen en regelgeving vallen is in beginsel irrelevant. Of de kansspelen soortgelijk zijn moet worden bepaald vanuit het oogpunt van de modale consument, waarbij in het bijzonder gelet moet worden op de minima en de maxima van de inzet en de prijzen en de kansen om te winnen. Als een EU-lidstaat ten onrechte de btw-vrijstelling heeft toegepast op een soortgelijke prestatie brengt het beginsel van de fiscale neutraliteit niet mee dat ook de andere prestatie ten onrechte in de btw-vrijstelling mag delen. Voor meer informatie over de btw-vrijstelling voor kansspelen zie 8.3.3.

Lees verder
Archief 10 november 2011

Terbeschikkingstelling hotelkamer aan andere masseuses belast met 19% btw

Een btw-ondernemer die erotische massages verzorgt, moet over de hiermee behaalde omzet 19% btw voldoen. Indien daarnaast ook (gehuurde) hotelkamers ter beschikking worden gesteld aan masseuses tegen vergoeding van 50% van de in de desbetreffende kamer gerealiseerde omzet, is hierover naar het oordeel van Rechtbank Haarlem eveneens 19% btw verschuldigd. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet gezegd worden dat sprake is van de kortdurende verhuur van een kamer in het kader van het hotelbedrijf omdat de ontvangen ‘huurvergoeding’ geen enkel verband houdt met de gebruiksduur van de hotelkamer. Voor de reikwijdte van het verlaagde btw-tarief voor de verhuur van onroerend goed in het hotelbedrijf wordt verwezen naar de Toelichting op Tabel I (zie 5.2 van het btw-handboek).

Lees verder

Zekerheid begint met een gesprek

Plan een consult met één van onze specialisten en krijg helderheid over uw nationale en internationale btw-processen.