Kennisbank
Kennisbank
Verdiepende artikelen over btw, compliance en fiscale risico's, nieuwsberichten en actuele ontwikkelingen. Geschreven door onze specialisten, voor professionals die voorop willen lopen.
Kennisbank
Terugvragen btw voor toeristen geen commissionairsdienst
Een B.V. die de teruggaaf van Nederlandse btw regelt ter zake van door toeristen in Nederland aangekochte goederen, verricht naar het oordeel van Hof Amsterdam geen commissionairsdienst. De diensten van een commissionair bestaan uit het op eigen naam, maar op order en voor rekening leveren van goederen.
Lees verderVerhuur ruimte en bijkomende diensten één prestatie
Het advocatenkantoor Field Fisher Waterhouse (FFW) huurt diverse kantoorruimten. In de huurovereenkomst is opgenomen dat de ruimten worden verhuurd tegen betaling van drie soorten vergoedingen, namelijk een afzonderlijke vergoeding voor het gebruik van de ruimten, een vergoeding voor de kosten van verzekering van het pand en een vergoeding voor de verplicht door de verhuurder te verrichten diensten, zoals reparatie en schoonmaak. Indien deze drie vergoedingen niet worden betaald, kan de verhuurder de overeenkomst beëindigen.
Lees verderSuccesvolle aanpak btw-fraude
Uit een rapport van de Algemene Rekenkamer dat donderdag naar de Tweede Kamer is gestuurd, blijkt dat de btw-carrouselfraude bij intracommunautaire handel in de afgelopen vier jaar is gedaald van 131 naar gemiddeld 39 miljoen euro per jaar.
Lees verderVerduidelijking overgangsregeling btw-verhoging
Op 1 oktober 2012 wordt het algemene btw-tarief van 19% verhoogd naar 21%. In de Wet uitwerking fiscale maatregelen Begrotingsakkoord 2013 is een overgangsregeling getroffen. Op grond hiervan is het tijdstip waarop de (op)levering of dienst plaatsvindt, in beginsel beslissend. In deze wet zijn enkele bijzondere overgangsregelingen getroffen voor nieuwbouwwoningen, onroerend goed, verbouwingen, doorlopende prestaties etc. De Belastingdienst heeft deze overgangsregelingen enige tijd geleden toegelicht in een lijst met vragen en antwoorden. Op 21 september jl. heeft de Belastingdienst deze lijst voorzien van een update.
Lees verderGeen btw-aftrek ter zake van facturen voor overgedragen omzet
Een holding houdt alle aandelen in een B.V. die zich bezighoudt met het beheren van klantenbestanden en werven van klanten in het kader van containerreiniging. De holding komt eind augustus 2010 met een aantal partijen overeen om de aandelen in deze B.V. per 1 oktober 2009 over te dragen aan een nog op te richten stichting E. Verder is overeengekomen dat Stichting E de aandelen certificeert en de certificaten van aandelen zal overdragen aan stichting F. Vanwege omstandigheden heeft de levering van de aandelen pas plaatsgevonden in december 2010. Door het vertraagd overdragen van de aandelen met terugwerkende kracht tot 1 oktober 2009 is de omzet in de periode 1 oktober 2009 tot december 2010 in eerste instantie niet bij stichting F terechtgekomen. Om deze omzet alsnog over te dragen aan stichting F, heeft stichting F hiervoor facturen met btw uitgereikt aan de B.V. welke door de B.V. zijn betaald. De B.V. is van mening dat de in rekening gebrachte btw in haar aangifte volledig in aftrek kan worden gebracht. Rechtbank Den Haag is echter van oordeel dat de in rekening gebrachte btw niet in aftrek kan worden gebracht omdat de inspecteur voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat tegenover de betalingen geen prestaties staan die aan de B.V. zijn verricht.
Lees verderGeen integratieheffing over grond die al bedrijfsmatig is gebruikt
De integratieheffing ligt in Nederland al enige tijd onder vuur. Reden hiervoor is dat het als onrechtmatig wordt ervaren dat er door de integratieheffing btw verschuldigd is over kostencomponenten zonder btw, zoals de waarde van de grond, leges etc. In de zaak Gemeente Vlaardingen heeft de Hoge Raad aan het HvJ EU de prejudiciële vraag voorgelegd of een gemeente die sport(gras)velden zonder btw verhuurde aan sportverenigingen en deze sportvelden na de vervaardiging tot kunstgras- (voetbal en korfbal) en asfaltvelden (handbal) opnieuw zonder btw aan dezelfde sportverenigingen heeft verhuurd tegen een integratieheffing aanloopt. A-G Mazák (hierna: de A-G) heeft op 11 september jl. een advies (zie 2.2.) uitgebracht aan het HvJ EU.
Lees verderMelding betalingsonmacht loonbelasting geldt ook voor btw
Van een bestuurder van een rechtspersoon wordt verwacht dat hij op de hoogte is van de financiële situatie. Als een rechtspersoon de verschuldigde belasting niet kan betalen, moet de bestuurder dit onverwijld (binnen 14 dagen) melden bij de ontvanger. In een zaak voor de Hoge Raad had de B.V. de ontvanger op 20 juli 2006 in kennis gesteld van haar onmacht om de verschuldigde loonbelasting over het tijdvak mei 2006 te betalen. Deze mededeling had uiterlijk gedaan moeten worden op 14 juli 2006 en was derhalve te laat. De inspecteur heeft naheffingsaanslagen omzetbelasting en loonbelasting opgelegd naar de in de aangiften loonbelasting (januari t/m oktober 2006) en omzetbelasting (april, september en oktober 2006) vermelde bedragen. Daarnaast heeft de inspecteur een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over de tijdvakken juli t/m december 2006 omdat er meer omzetbelasting verschuldigd was dan in de aangifte was aangegeven. Naar het oordeel van de Hoge Raad hoeft er niet opnieuw een melding van betalingsonmacht te worden gedaan zolang nog sprake is van een betalingsachterstand, tenzij de ontvanger de belastingschuldige na ontvangst van een betaling schriftelijk doet weten de betalingsachterstand niet langer aanwezig te achten. Deze regel geldt niet alleen voor de belasting waarvoor de melding is gedaan (in casu de loonbelasting), maar ook voor andere over dezelfde of latere tijdvakken verschuldigde belasting (in casu de omzetbelasting). Dat een te late melding van de betalingsonmacht betekent dat de bestuurder aansprakelijk is voor de belastingschulden, tenzij hij aannemelijk maakt dat het niet aan hem te wijten is dat de rechtspersoon niet aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, is volgens de Hoge Raad niet in strijd met art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.
Lees verderGeen teruggaaf btw op valse facturen
Een B.V. die valse facturen uitreikt met btw, welke btw door de afnemer in aftrek is gebracht, maar waarbij de ontvanger van de factuur het in rekening gebrachte bedrag niet heeft betaald, heeft naar het oordeel van de Hoge Raad geen recht op teruggaaf van btw. Omdat geen prestatie is verricht, kan van een btw-teruggaaf als bedoeld in art. 29, lid 1 Wet OB (oninbare vordering) geen sprake zijn. De ten onrechte op de factuur vermelde btw is de B.V. op grond van art. 37 Wet OB verschuldigd. Deze zogenoemde art.-37-btw komt niet voor teruggaaf in aanmerking.
Lees verderHoogte heffing privégebruik woning jaar ingebruikneming niet in strijd met btw-richtlijn
Een btw-ondernemer die een woning zowel voor (aftrekgerechtigde) bedrijfsdoeleinden als privédoeleinden in gebruik nam, kan dit goed volledig tot zijn btw-ondernemingsvermogen rekenen. Tot 2011 had dit in beginsel volledige btw-aftrek tot gevolg. Vervolgens moet de ondernemer in de laatste aangifte van het kalenderjaar van ingebruikneming en de negen daaropvolgende kalenderjaren jaarlijks 19% btw betalen over 1/10 van de aan het privégebruik toe te rekenen aanschafkosten excl. btw. Een eenmansondernemer neemt op 3 augustus 2009 woning in gebruik die voor 82,5% zakelijk en voor 17,5% voor privédoeleinden wordt gebruikt. Hij heeft dit pand volledig tot zijn btw-ondernemingsvermogen gerekend en alle btw op de aanschafkosten in aftrek gebracht. Naar zijn mening was hij in 2009 geen 19% btw verschuldigd over de volle 10% x 82,5% van de bouwkosten, maar moest dit bedrag tijdsevenredig worden berekend. De inspecteur acht dit standpunt onjuist en heft het verschil na. De inspecteur wordt in het gelijk gesteld door Rechtbank Den Haag. Tegen deze uitspraak heeft de ondernemer sprongcassatie ingesteld, hetgeen inhoudt dat het hoger beroep wordt overgeslagen. In cassatie is A-G Van Hilten van mening dat het cassatieberoep ongegrond is en dat de hoogte van de heffing over het privégebruik van de woning niet in strijd is met het EU-recht. De Hoge Raad moet nog arrest wijzen.
Lees verder19% btw verschuldigd uit inzetpremie en uitkoopsommen
Een maatschap van twee echtgenoten die handelt in onroerend goed koopt panden aan op openbare veilingen. Degene die in de opbodfase inzet ontvangt hiervoor een inzetpremie (ook wel strijkgeld, plokgeld, of trekgeld genoemd). De maatschap is naar het oordeel van Hof Arnhem 19% btw verschuldigd uit de door haar van de veilinghouder en collega-handelaren ontvangen inzetpremies. Nadat de openbare veiling is beëindigd, wordt een in de opbod- of afmijnfase verkregen pand voor de tweede keer ‘verhandeld’ tussen handelaren. Degene(n) die binnen deze groep het hoogste bod uitbreng(t)en, verkrijg(t)en uiteindelijk het pand. Het verschil tussen de prijs uit de eerste (openbare) veiling en de tweede (officieuze) veiling wordt verdeeld onder de collega-handelaren die hebben meegedaan aan de tweede veiling. Deze vergoeding wordt de uitkoopsom genoemd. Ook uit deze uitkoopsommen die de handelaar heeft ontvangen, is naar het oordeel van het hof 19% btw verschuldigd. Omdat ter zake van de (door)betaalde inzetpremies en uitkoopsommen door de collega-handelaren geen facturen met btw zijn uitgereikt, ontbeert de maatschap recht op btw-aftrek. Dit is naar het oordeel van het hof niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
Lees verderOplevering gebouw valt onder Duitse verleggingsregeling bouwsector
In de prejudiciële procedure “BLV Wohn- und Gewerbebau GmbH” is door het Duitse Bundesfinanzhof (hierna: BFH) aan het HvJ EU de vraag voorgelegd over de verleggingsregeling voor bouwwerkzaamheden. In de beschikking 2004/290 is Duitsland gemachtigd tot het toepassen van een verleggingsregeling voor bouwwerkzaamheden. Het BFH wil weten of onder bouwwerkzaamheden ook de oplevering van onroerende goederen vallen. Als het begrip “bouwwerkzaamheden” in de beschikking alleen betrekking heeft op diensten, zou niet de afnemer maar de presterende ondernemer de btw verschuldigd zijn als er onroerende goederen worden (op)geleverd. A-G Mengozzi van HvJ EU is van mening dat het begrip “bouwwerkzaamheden” uit de derogatiebeschikking diensten omvat. Het BFH moet naar zijn mening alle omstandigheden van het geval in de overweging betrekken bij de beoordeling of een handeling een bouwwerkzaamheid is (en dus een dienst) of een levering van een goed. Het maken van onderscheid tussen leveringen van goederen en diensten door de nationale wetgever/rechter aan de hand van één enkele maatstaf, namelijk of de aannemer eigen materiaal heeft verstrekt, is naar de mening van de A-G in strijd met het unierecht (en leidt tot een te beperkte toepassing van de verleggingsregeling). Verder is de A-G van mening dat er geen reden bestaat om de werking van het arrest van het HvJ EU te beperken in de tijd.
Lees verderOntneming btw-identificatienummer afnemer onvoldoende voor weigering 0%-tarief
De Hongaarse vennootschap Mecsek-Gabona Kft verkocht op 28 augustus 2009 een partij koolzaad aan Agro-Trade S.r.l. in Italië. Agro-Trade zou het koolzaad vanaf het terrein van Mecsek-Gabona (laten) vervoeren en gaf in verband daarmee de kentekens door van de vrachtauto’s die het koolzaad kwamen ophalen. Nadat het koolzaad was opgehaald, ontving Mecsek-Gabona vanaf een postadres van Agro-Trade in Italië 40 CMR-vrachtbrieven retour. Mecsek-Gabona paste het 0%-tarief toe, maar bij een controle van de Hongaarse fiscus bleek dat Agro-Trade niet bekend was bij de Italiaanse Belastingdienst en dat het Italiaanse btw-identificatienummer op 14 januari 2010 met terugwerkende kracht tot 17 april 2009 was ontnomen. De Hongaarse fiscus meende dat ten onrechte het 0%-tarief was toegepast omdat Mecsek-Gabona het vervoer van het koolzaad naar Italië niet kon aantonen. Naar aanleiding van prejudiciële vragen van de Hongaarse rechter oordeelt het HvJ EU dat het 0%-tarief geweigerd mag worden als vaststaat dat de verkoper niet heeft voldaan aan zijn bewijslast of wist of had moeten weten dat sprake was van btw-fraude door de afnemer en hij niet alle redelijke maatregelen heeft genomen om te voorkomen dat hij hierbij betrokken raakte. De enkele omstandigheid dat het btw-identificatienummer na de levering met terugwerkende kracht is ontnomen, is volgens het HvJ EU onvoldoende om het 0%-tarief voor intracommunautaire leveringen te weigeren.
Lees verderPer 1 oktober 2012 één adres controle btw-identificatienummers
Vanaf 1 oktober 2012 is er één adres voor de controle van de geldigheid van een btw-identificatienummer. Hiervoor kunnen btw-ondernemers uitsluitend terecht op de internetsite van de Europese Commissie. Bij een controle van het btw-identificatienummer ontvangt de btw-ondernemer een bevestiging. Als bij de controle ook het eigen btw-identificatienummer wordt vermeld, wordt dit nummer ook getoond bij de bevestiging.
Lees verderBtw aankoop nertsen niet aftrekbaar vanwege overdracht onderneming
De overdracht van een onderneming is niet belastbaar voor de btw. Dit betekent dat ter zake van een dergelijke overdracht geen btw mag worden berekend. In een zaak voor Hof Den Bosch heeft een fiscale eenheid diverse nertsenfarmen overgenomen. Ter zake van de voorraad van nertsen is door de verkoper btw in rekening gebracht aan de fiscale eenheid. Deze btw is door de verkoper wel aangegeven, maar niet voldaan aan de fiscus. De fiscale eenheid was ervan op de hoogte dat de verkoper de btw niet zou voldoen. Naar het oordeel van Hof Den Bosch vindt de overdracht van de nertsen plaats in het kader van de overdracht van de ondernemingen (de nertsenfarmen). Dit betekent dat ten onrechte btw in rekening is gebracht. Deze ten onrechte in rekening gebrachte btw is op grond van art. 37 Wet OB verschuldigd en komt bij de fiscale eenheid niet voor aftrek in aanmerking. Omdat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat deze btw niet bij de verkoper kan worden nageheven, heeft de inspecteur op grond van het beleid de mogelijkheid om deze btw na te heffen bij de fiscale eenheid. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep op grond van art. 81 RO zonder nadere motivering ongegrond verklaard. Voor meer informatie over de overdracht van een onderneming zie 11.5.
Lees verderGeen integratieheffing over waarde grond die al bedrijfsmatig is gebruikt
De integratieheffing ligt onder vuur. In de prejudiciële procedure ‘Gemeente Vlaardingen’ heeft de Hoge Raad aan het HvJ EU de vraag voorgelegd of de toepassing van de Nederlandse integratieheffing door de communautaire beugel kan. In deze zaak gaat het om de gemeente Vlaardingen die een aantal sportgrasvelden verhuurt aan sportverenigingen. In 2003 en 2004 worden een aantal van deze grasvelden in opdracht van de gemeente vervangen door kunstgras- (voor voetbal en korfbal) en asfaltvelden (voor handbal). De aannemers hebben ter zake van de aanleg van deze velden btw in rekening gebracht die door de gemeente niet in aftrek is gebracht. De gemeente heeft deze velden opnieuw zonder btw verhuurd aan dezelfde sportverenigingen. In geschil is of door de ingebruikneming van de sportvelden voor vrijgestelde verhuur sprake is van een integratieheffing over de voortbrengingskosten incl. de waarde van de grond. De Hoge Raad oordeelt dat sprake is van een oplevering van onroerende goederen (de sportvelden), maar twijfelt over de vraag of de integratieheffing van toepassing is. A-G Mazák twijfelt ten eerste aan het oordeel van de Hoge Raad of er sprake is van een oplevering van nieuwe (vervaardigde) onroerende goederen. Indien het oordeel van de Hoge Raad juist is, is de A-G van mening dat de integratieheffing ook van toepassing is op goederen die in opdracht zijn vervaardigd en in gebruik worden genomen voor vrijgestelde bedrijfsdoeleinden. Echter, er is volgens de A-G geen integratieheffing-btw verschuldigd over de waarde van de grond indien deze grond -zoals bij de gemeente Vlaardingen- al bedrijfsmatig voor (dezelfde) vrijgestelde bedrijfshandelingen werd gebruikt. Zie 2.2. voor deze conclusie en meer informatie over de interne levering.
Lees verderGeen vervaardiging door realisatie woonappartementen in deel kantoorgebouw
Een. B.V. koopt in 2004 een kantoorgebouw. Dit kantoorgebouw wordt grondig verbouwd, waarbij op de twee bovenverdiepingen vier woonappartementen worden gerealiseerd. Drie daarvan zijn in 2007 verkocht aan dhr. D voor € 500.000 inclusief btw. Een holding koopt de appartementen in 2008 op een executieveiling van dhr. D voor € 304.000 exclusief btw. Door de holding wordt € 57.760 aan (verlegde) btw aangegeven en in aftrek gebracht. De holding levert de appartementen nog datzelfde jaar door aan particulieren. In geschil is of de appartementen op dat moment zijn aan te merken als vervaardigde onroerende goederen, zodat de holding ter zake van de leveringen btw is verschuldigd. Rechtbank Breda is van oordeel dat vanwege de functiewijziging (van kantoorfunctie naar hoofdzakelijk woonfunctie) sprake is van een vervaardigd goed waardoor de levering is belast met btw. Hof De Bosch oordeelt echter dat door de verbouwing geen ingrepen hebben plaatsgevonden die van zodanige aard zijn dat in wezen nieuwbouw heeft plaatsgevonden. De bestaande vloeren, plafonds en muren zijn gehandhaafd, terwijl de uiterlijke wijzigingen van het pand minimaal zijn. In cassatie betoogt A-G Van Hilten dat voor de vraag of in wezen nieuwbouw heeft plaatsgevonden te rade kan worden gegaan bij de vraag of er voor de inkomstenbelasting sprake is van een ‘radicale verbouwing’. Hierbij moet volgens de A-G uitgegaan van het gehele kantoorpand, tenzij de appartementen zijn aan te merken als (zelfstandige) bouwwerken én de appartementen zich lenen voor afzonderlijke exploitatie. De A-G meent dat de appartementen weliswaar fysiek gescheiden zijn en zelfstandig exploitabel, maar dat zij als zodanig geen bouwwerken zijn. De levering van een appartement volgt dus het regime van het totale pand. De A-G concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep van de staatssecretaris. Voor deze conclusie en meer informatie over vervaardigen zie 7.2.
Lees verderBtw-aftrek aannemer ondanks onrechtmatig gedrag onderaannemer
In de zaak Gábor Toth gaat het om een aannemer die voor de uitvoering van bouwwerkzaamheden een onderaannemer inschakelt. Zijn onderaannemer komt zijn fiscale verplichtingen niet na waardoor hij zijn vergunning als eenmansondernemer wordt ingetrokken en hij op het tijdstip van het uitreiken van een deel van de facturen niet langer geregistreerd stond als btw-ondernemer. Daarnaast heeft de onderaannemer niet de door hem tewerkgestelde werknemers op de factuur vermeld, hetgeen wel verplicht was om zwartwerken te voorkomen. De aannemer heeft niet gecontroleerd of tussen de opsteller van de factuur, de onderaannemer, en de tewerkgestelde werknemers een rechtsverhouding bestond en of de opsteller van de factuur deze werknemers had aangemeld. Naar het oordeel van het HvJ EU vormen al deze omstandigheden op zichzelf genomen nog geen grond om de btw-aftrek bij de aannemer te weigeren. Dit is slechts anders indien de fiscus aan de hand van objectieve gegevens aannemelijk maakt dat de aannemer wist of behoorde te weten dat hij met het inschakelen van de onderaannemer of een andere marktdeelnemer deelnam aan een transactieketen waarin btw-fraude plaatsvindt. Dit zal de nationale rechter moeten beoordelen.
Lees verderFiscaal steuntje in de rug voor vastgoedmarkt
De verkrijging van een woning of bedrijfspand is in beginsel belast met 6% overdrachtsbelasting. Er zijn reeds een aantal fiscale maatregelen genomen om de (door)verkoop van woningen te stimuleren. Zo is er een verlaagd tarief van 2% ingevoerd voor de verkrijging van woningen. Tevens is de zesmaandentermijn bij een doorverkoop van een woning tijdelijk verlengd geweest tot een twaalfmaandentermijn. Hierdoor was bij een doorverkoop van een woning in beginsel slechts 2% overdrachtsbelasting verschuldigd over de eventuele meerwaarde.
Lees verderSteuntje in de rug voor vastgoedmarkt
Staatssecretaris Weekers geeft zowel particulieren als bedrijven die (noodgedwongen) hun woning of bedrijfspand moeten doorverkopen een (fiscaal) steuntje in de rug. De staatssecretaris keurt tijdelijk goed dat de zesmaandentermijn voor de vermindering van de overdrachtsbelasting bij een doorverkoop wordt verlengd naar 36 maanden. Als een woning of bedrijfspand binnen 36 maanden wordt doorverkocht, is slechts over de (eventuele) meerwaarde 2%/6%overdrachtsbelasting verschuldigd. Het doel van deze maatregel is om de doorstroming op de woningmarkt te verbeteren. De maatregel is opgenomen in Belastingplan 2013, maar geldt door middel van een goedkeurend beleidsbesluit per 1 september 2012 en loopt tot 1 januari 2015. Dit houdt in dat als een woning in de periode van 1 september 2012 tot 1 januari 2015 wordt verkregen, bij een opvolgende verkrijging van deze onroerende zaak binnen 36 maanden slechts over de meerwaarde overdrachtsbelasting verschuldigd is.
Lees verder19% btw verschuldigd uit strijkgelden en uitkoopsommen
Een handelaar is landelijk actief om onroerend goed een te kopen op openbare (executie)veilingen. Hij streeft ernaar om deze panden voor een zo laag mogelijke prijs te verkrijgen middels inzet/afslag. De handelaar die inzet ontvangt hiervoor strijkgeld (ook wel plokgeld, trekgeld of inzetgeld genoemd). Hieruit is de handelaar naar het oordeel van Rechtbank Den Haag 19% btw verschuldigd. Dat een deel van deze strijkgelden zijn doorbetaald aan collega-handelaren doet hieraan niet af. Nadat de openbare veiling is beëindigd, wordt een door inzet/afslag verkregen pand voor de tweede keer ‘verhandeld’ tussen handelaren. Degene die binnen deze groep het hoogste bod uitbrengt, verkrijgt uiteindelijk het pand. Het verschil tussen de prijs uit de eerste (openbare) veiling en de tweede (officieuze) veiling wordt verdeeld onder de collega-handelaren die hebben meegedaan aan de tweede veiling. Deze vergoeding wordt de uitkoopsom genoemd. Ook uit deze uitkoopsommen die de handelaar heeft ontvangen, is naar het oordeel van de rechtbank 19% btw verschuldigd. Dit geldt niet indien en voor zover hij de uitkoopsommen namens collega-handelaren heeft ontvangen en doorbetaald. Ter zake van de strijkgelden die door een collega-handelaar (de inzetter) aan de handelaar zijn betaald, is geen btw verschuldigd.
Lees verderNaheffing btw autohandelaar vanwege onterechte toepassing margeregeling
Een autohandelaar heeft (op papier) via Spaanse vennootschappen Duitse auto’s gekocht. Het betreft Duitse auto’s die door Duitse verkopers als btw-auto zijn verkocht aan de Spaanse vennootschappen. De Spaanse vennootschappen hebben deze auto’s “veranderd” in margeauto’s en als zodanig geleverd aan de autohandelaar. De auto’s zijn in Duitsland aan de autohandelaar overgedragen en rechtstreeks van Duitsland naar Nederland vervoerd. De autohandelaar heeft deze auto’s met toepassing van de margeregeling in Nederland doorverkocht. Naar het oordeel van Rechtbank Arnhem ten onrechte. De rechtbank is van oordeel dat de Duitse verkopers de auto’s (intracommunautair) geleverd hebben aan de autohandelaar in Nederland. De autohandelaar had verwervings-btw moeten aangeven en had deze volledig in dezelfde aangifte volledig in aftrek kunnen brengen, hetgeen in casu niet in geschil is. De naheffingsaanslagen die betrekking hebben op het verschil tussen de verschuldigde 19% btw uit de verkoopomzet en de voldane 19% btw uit de winstmarge zijn derhalve terecht opgelegd.
Lees verderB.V. geen btw-aftrek omdat jacht is geleverd aan dga en echtgenote
Een btw-ondernemer heeft slechts recht op btw-aftrek indien hij de afnemer is van het geleverde goed en hij dit goed voor aftrekgerechtigde prestaties gebruikt. Naar het oordeel van Hof Arnhem zijn de dga en zijn echtgenote de afnemer van een jacht indien zij de opdracht hebben gegeven voor de bouw van het jacht en het jacht op naam is gesteld van de dga en zijn echtgenote. Dat een aantal facturen naar de B.V. van de dga zijn gestuurd doet hieraan volgens het hof niet af. De B.V. heeft derhalve ten onrechte btw ter zake van de bouw van het jacht teruggekregen en in aftrek gebracht.
Lees verderNaheffing btw-aftrek plus 50% boete omdat tegenprestatie ontbreekt
Een B.V. heeft een zestal facturen ontvangen voor een totaalbedrag van € 269.000 vermeerderd met € 51.148 btw. Deze facturen zijn door de B.V. per bank betaald. De inspecteur heeft deze in aftrek gebrachte btw nageheven en een vergrijpboete van 50% opgelegd. Naar het oordeel van Hof Arnhem is niet aannemelijk geworden dat ter zake van de onderhavige facturen daadwerkelijk prestaties aan de B.V. zijn verricht. Dit betekent dat de in rekening gebrachte btw niet voor aftrek in aanmerking komt. De naheffingsaanslag is derhalve terecht opgelegd. Dit geldt naar het oordeel van het hof ook voor de vergrijpboete omdat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de B.V. opzettelijk te weinig btw heeft betaald. De B.V. heeft -hoewel zij wist dat er aan haar geen prestaties waren verricht- toch de op de facturen vermelde btw in aftrek gebracht.
Lees verderWijziging Uitv.Besch. OB 1968 in verband met btw-verhoging
Op 1 oktober 2012 wordt het algemene btw-tarief van 19% verhoogd naar 21%. In verband met de btw-verhoging wordt de Uitv.Besch. OB per 1 oktober 2012 gewijzigd. De eerste aanpassing is een louter technische aanpassing van art. 10a Uitv.Besch. OB en regelt dat de btw die in de aankoopprijs van een nieuw vervoermiddel is begrepen 21/121 in plaats van 19/119 x aankoopprijs bedraagt.
Lees verderZekerheid begint met een gesprek
Plan een consult met één van onze specialisten en krijg helderheid over uw nationale en internationale btw-processen.