Belastingplan 2023: de btw- en overdrachtsbelastingmaatregelen
Een nultarief voor zonnepanelen, 21% btw op lachgaspatronen en een verhoging van het algemene overdrachtsbelastingtarief naar 10,4%. Wij zetten de plannen op een rij.
Op Prinsjesdag zijn de fiscale plannen van het kabinet gepubliceerd. Hieronder zetten wij de voorgestelde btw- en overdrachtsbelastingmaatregelen op een rij. Voor al deze maatregelen geldt dat zij eerst door de Tweede en Eerste Kamer moeten worden goedgekeurd.
Nultarief zonnepanelen
Met ingang van 1 januari 2023 komt er een nultarief voor de levering van zonnepanelen als dakbedekking, bestemd om te worden geïnstalleerd op of in de onmiddellijke nabijheid van woningen. Dat tarief gaat ook gelden voor de installatie ervan.
De maatregel is vooral bedoeld om de administratieve lasten van de Belastingdienst en van particuliere zonnepaneelhouders te verminderen. Door het nultarief is er immers geen btw meer die particulieren kunnen terugvragen, en omdat de meeste van deze kleine ondernemers met hun teruglevering aan het net onder de btw-registratiedrempel blijven, kan een registratie achterwege blijven.
21% btw voor lachgaspatronen
Vorig jaar oordeelde Hof Arnhem-Leeuwarden dat het verlaagde tarief van 9% geldt voor de levering van lachgaspatronen. Dat week af van het beleidsstandpunt van de staatssecretaris, en daarom wordt de wetgeving aangepast.
Hoewel deze patronen voor de bereiding van slagroom kunnen worden gebruikt, worden zij in de praktijk ook als recreatief roesmiddel gebruikt. Voor de leverancier is meestal niet duidelijk waarvoor de koper ze gaat gebruiken. Lachgaspatronen worden daarom, ongeacht dat gebruik, expliciet uitgezonderd van het verlaagde tarief voor goederen die kennelijk bestemd zijn voor de bereiding van eet- en drinkwaren en daarin geheel of deels opgaan. Voor de levering, en ook voor de intracommunautaire verwerving en invoer, gaat dus 21% gelden.
Overdrachtsbelasting
Het algemene tarief van 8% wordt per 1 januari 2023 verhoogd naar 10,4%. Dat geldt voor de verkrijging van alle niet-woningen, zoals kantoren en bedrijfsruimte, maar ook voor woningen die de verkrijger niet zelf als hoofdverblijf gebruikt. Vooral vastgoedbeleggers worden daardoor zwaarder belast, zowel bij woningen als bij niet-woningen.