Btw-heffing over niet-verzilverde waardebonnen veilingsite
De Hoge Raad oordeelde over de btw-gevolgen van het niet verzilveren van een winnend bod op een internetveiling. De veilingsite is btw verschuldigd op het moment dat de winnaar betaalt, ongeacht of de bon wordt verzilverd.
Casus
Op de veilingsite boden derde ondernemers reizen, arrangementen en producten aan. De hoogste bieder wint de geveilde dienst of het product en moet daarvoor betalen. De overeenkomst tussen winnaar en veilingsite kan niet worden geannuleerd of herroepen. Binnen vijf werkdagen moet de winnaar het geboden bedrag plus administratiekosten betalen.
Na betaling ontvangt de winnaar een digitale bon met een code. Daarmee kan hij de prijs binnen een vooraf vastgestelde periode en op basis van beschikbaarheid verzilveren. De bon kan ook worden weggegeven of verkocht. Verzilvert de winnaar tijdig, dan geeft de veilingsite de derde ondernemer opdracht de gewonnen prestatie te verrichten.
De veilingsite veilt op eigen naam en de derde ondernemer levert namens en op verzoek van de veilingsite aan de winnaar. Afgesproken is dat de veilingsite na verzilvering het overeengekomen bedrag aan de derde ondernemer betaalt, via een maandelijkse selfbillingfactuur waarop ook de door die ondernemer verschuldigde btw staat vermeld. In 4 tot 16 procent van de gevallen wordt een prijs niet tijdig verzilverd. De winnaar heeft dan geen recht op terugbetaling en de veilingsite betaalt de derde ondernemer niets.
De veilingsite sloot voor de periode 2008 tot en met 2012 een vaststellingsovereenkomst met de Belastingdienst, waarin is opgenomen dat niet-verzilverde bonnen een prestatie vormen en dat de btw-behandeling van de achterliggende prestatie moet worden gevolgd. Daarna werd de overeenkomst stilzwijgend verlengd. Over verschillende perioden na 2012 maakte de veilingsite bezwaar tegen de voldoening op aangifte, omdat er volgens haar geen belastbare prestatie is verricht.
Oordeel van het hof
Hof Amsterdam oordeelde in 2022 dat de veilingsite gebonden is aan de vaststellingsovereenkomst, omdat die stilzwijgend werd verlengd. Het hof past de commissionairsfictie toe: voor de heffing wordt ervan uitgegaan dat de veilingsite op eigen naam maar voor rekening van de derde ondernemers presteert jegens de winnaar, en dat die ondernemers geacht worden aan de veilingsite te presteren.
Het standpunt dat de fictie niet ziet op niet-verzilverde bonnen omdat geen prestatie wordt verricht, verwierp het hof: dat blijkt niet uit de vaststellingsovereenkomst, waarin juist expliciet staat dat niet-verzilverde bonnen een prestatie vormen.
Het hof ging ook in op de vraag hoe het zou liggen zonder die bepaling. Op het moment van betaling komt een rechtsbetrekking tot stand tussen winnaar en veilingsite en moet de winnaar de bon krijgen waarmee hij de prestatie kan verzilveren. Er is dus een duidelijk identificeerbare prestatie, en dat de bon niet altijd wordt verzilverd doet daaraan niet af. De prestatie wordt verricht op het moment dat de winnaar de bon ontvangt.
De Hoge Raad
In cassatie overweegt de Hoge Raad dat wanneer een ondernemer met zijn afnemer overeenkomt dat de vergoeding geheel of gedeeltelijk moet zijn betaald voordat hij presteert, de btw verschuldigd wordt op het tijdstip van die vooruitbetaling.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat de winnaar het recht verkrijgt de bon te verzilveren en dat de veilingsite verplicht is te presteren, ongeacht of de winnaar van dat recht gebruikmaakt. Dat het niet tot voltooiing komt, is alleen de winnaar aan te rekenen. Het betaalde bedrag, zonder recht op restitutie, is daarom een vergoeding voor een onder bezwarende titel verrichte handeling en aan btw onderworpen. De uitspraak van het hof blijft in stand.
Opinie
Er is een bezwarende titel en de winnaar verkrijgt het recht op een bepaalde prijs. Dat de vergoeding belast is, is dus begrijpelijk. Het niet verzilveren is alleen de winnaar aan te rekenen en hij is akkoord gegaan met het uitblijven van restitutie.
Opvallend is dat de Hoge Raad oordeelt dat sprake is van een vooruitbetaling én dat op het moment van betaling een recht wordt verkregen. Bij een vooruitbetaling wordt de prestatie immers pas later verricht, wat zich lastig verhoudt tot het verkrijgen van een recht op het betaalmoment. In beide gevallen zijn de btw-gevolgen echter dezelfde.