Hospice: btw-vrijgestelde zorg of btw-belast kortdurend verblijf?
Hof Den Haag en Rechtbank Gelderland kwamen in vergelijkbare zaken tot tegengestelde oordelen over de btw-positie van een hospice. De Hoge Raad moet nu duidelijkheid bieden.
In een hospice worden terminaal zieke mensen met een levensverwachting van maximaal drie maanden opgevangen en verzorgd tot het moment van overlijden. Het verzorgen en verplegen van in een inrichting opgenomen personen en de daarmee nauw samenhangende handelingen zijn vrijgesteld van btw. Of de dienstverlening van een hospice daaronder valt, blijkt niet eenduidig te beantwoorden.
De reikwijdte van de vrijstelling
De reikwijdte van de vrijstelling voor intramurale zorg is uitgewerkt in het beleid. Diensten die op zichzelf belast zijn, delen in de vrijstelling als zij een wezenlijk, inherent en onafscheidbaar deel zijn van de door een inrichting verrichte gezondheidskundige behandeling met een therapeutisch doel. Van wezenlijk, inherent en onafscheidbaar is alleen sprake als de dienst onderdeel is van een behandeling waarvan de ene fase niet kan slagen zonder de andere. Of de diensten door een medisch dienstverlener worden verricht, is daarbij niet van belang.
Twee tegengestelde uitspraken
Hof Den Haag oordeelde begin vorig jaar over de vraag of een hospice recht had op aftrek van de btw op de bouwkosten. De exploitant meende belast te presteren door tegen vergoeding logies en verteer voor kortdurend verblijf te verstrekken. Door de uitzondering op de verhuurvrijstelling zijn die diensten dan belast en is de btw op de bouwkosten aftrekbaar.
Het hof volgde die redenering niet. De prestatie van het hospice valt niet onder de tijdelijke verhuur van gastenkamers zoals bedoeld in die uitzondering, omdat het wezenlijke kenmerk niet in de verhuur ligt maar in de combinatie met het verzorgen en verplegen van een terminaal zieke. De vrijstelling voor intramurale zorg is dus van toepassing.
Rechtbank Gelderland beargumenteerde eind 2023 het tegenovergestelde in een vergelijkbare zaak bij een ander hospice. De exploitant mocht de voorbelasting op de bouwkosten wél aftrekken, omdat het hospice volgens de rechtbank geen medische prestaties verrichtte. Dat er een totaalpakket werd aangeboden om gasten te ontzorgen, betekende niet dat sprake was van medische verzorging: die werd verleend door de eigen huisarts van de gast en door de thuiszorgorganisatie. Omdat de gast zelf verantwoordelijk was voor het afstemmen van die zorg, gold de medische vrijstelling niet voor de prestaties van het hospice.
Onze kanttekening
De feiten van beide zaken verschillen, maar de gemene deler is dat beide organisaties in het maatschappelijk verkeer optreden als low-carehospice. Bij zo'n hospice, ook wel bijna-thuis-huis genoemd, wordt de zorg uitbesteed aan thuiszorgorganisaties en werken vrijwilligers die geen zorgtaken verrichten maar alleen als gastheer of gastvrouw optreden.
Wij vragen ons af of het terecht is dat zulke low-carehospices als zorginstelling worden aangemerkt wanneer zij zelf geen zorgdiensten verrichten. Tegen de uitspraak van het hof is cassatie ingesteld. Het is nu aan de Hoge Raad om duidelijkheid te bieden.