Langdurige verhuur recreatiewoning aan dga toch short-stayverhuur
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat een belastingplichtige gerechtvaardigd mocht vertrouwen op het short-stayverhuurbeleid van de staatssecretaris, zelfs als dat besluit mogelijk in strijd is met een richtlijnconforme uitleg van de wet.
Casus
De zaak draait om een B.V. die in 2020 een woning kocht voor € 2.010.000 en deze liet verbouwen en inrichten. De B.V. bracht de voorbelasting op de verbouwingskosten in aftrek. De woning werd voor een periode van één jaar verhuurd aan de directeur-grootaandeelhouder (dga) van de B.V., voor € 6.000 per maand inclusief btw.
Naast meubels, gas, water, energie en tuinonderhoud regelde en betaalde de B.V. ook de glazenwasser, het onderhoud van de boiler en van de alarminstallatie en al het overige. De facturen stonden op naam van de B.V. Volgens een verklaring van de dga verbleef hij in het eerste jaar in totaal 32 dagen in de woning.
Geschil
De inspecteur legde een naheffingsaanslag op en wees een teruggaafverzoek af, omdat er volgens hem geen sprake was van short-stayverhuur: de huurovereenkomst was immers gesloten voor een periode langer dan zes maanden.
De short-stayuitzondering op de btw-vrijstelling voor verhuur van onroerende zaken geldt voor verhuur binnen de kaders van het hotel-, pension-, kamp- en vakantiebestedingsbedrijf aan personen die daar slechts kort verblijven. Is die uitzondering van toepassing, dan geldt de vrijstelling niet en is het verlaagde tarief van 9% van toepassing.
Het hof
Het hof oordeelt dat de verhuur niet onder de short-stayuitzondering van de Wet OB valt, omdat de B.V. feitelijk niet concurreert met hotels en vakantiebedrijven. Toch kan de B.V. een beroep doen op het vertrouwensbeginsel.
Zij mocht gerechtvaardigd vertrouwen op de uitleg in het inmiddels vervallen Vastgoedbesluit 2013. Volgens dat besluit is sprake van short-stayverhuur als gasten feitelijk maximaal zes maanden in een gemeubileerde accommodatie verblijven en hun maatschappelijk leven niet verplaatsen. De dga maakte aannemelijk dat hij en zijn gezin de woning als vakantiewoning gebruikten en er slechts kort verbleven, met verblijven van enkele dagen tot maximaal twee weken. Omdat de nationale wetgeving op dit punt niet duidelijk en voorspelbaar genoeg is, mocht de B.V. uitgaan van de toelichting in dat besluit.
De B.V. mocht de btw op de verbouwingskosten daarom volledig in aftrek brengen en was 9% btw verschuldigd uit de maandelijkse huurprijs van € 6.000.
Praktijk
In december 2023 is een nieuw Vastgoedbesluit gepubliceerd. De tekst daarvan bevat geen specifieke wijzigingen voor de short-stayuitzondering, waardoor deze uitspraak ook voor de uitleg van het nieuwe besluit van belang is. Het belang ervan wordt in 2026 wel kleiner, omdat het btw-tarief op short-stayverhuur vanaf 1 januari 2026 wordt verhoogd van 9% naar 21%.