Prinsjesdag 2024: de btw- en overdrachtsbelastingplannen van kabinet-Schoof
Herziening op investeringsdiensten, de verhoging van 9% naar 21% voor logies en cultuur, en een nieuw overdrachtsbelastingtarief van 8% voor beleggerswoningen. Wij nemen u mee door de plannen.
Het kabinet-Schoof heeft zijn belastingplannen gepubliceerd. Voor al deze maatregelen geldt het voorbehoud dat het om voorstellen gaat die pas in werking treden nadat de Tweede en Eerste Kamer ze hebben goedgekeurd.
Btw-herziening op investeringsdiensten
Op 5 september is een internetconsultatie geopend voor de Eindejaarsregeling 2024, met daarin een uitwerking van de herziening op investeringsdiensten aan onroerende zaken. Die maatregel houdt kort gezegd in dat de aftrek op diensten aan onroerende zaken met een duurzaam karakter gedurende vijf jaar wordt gevolgd en bij een wijziging in het aftrekgerechtigd gebruik moet worden gecorrigeerd. Op grond van de huidige regels is die aftrek definitief in het boekjaar van ingebruikneming, waardoor het uitstellen van niet-aftrekgerechtigd gebruik een aanzienlijk voordeel kan opleveren.
In het Belastingplan 2025 is uitsluitend een wettelijke definitie van het begrip investeringsdienst opgenomen. De uitwerking in de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 is nog voorwerp van consultatie en volgt eind dit jaar in de Eindejaarsregeling 2024. Het is een wat merkwaardige gang van zaken dat de definitie al in het Belastingplan staat terwijl over de regeling zelf nog een consultatie loopt.
Naar onze mening is de voorgestelde definitie te ruim, omdat zij ook werkzaamheden omvat om vastgoed in goede staat te houden, zoals onderhoud en herstel. Bovendien volgt uit het recente Drebers-arrest dat het per definitie hanteren van een vijfjaarstermijn strijd kan opleveren met het Europese recht. Is een verbouwingsdienst zo ingrijpend dat haar economische kenmerken qua duurzaamheid in wezen gelijkwaardig zijn aan de aankoop van een nieuwe onroerende zaak, dan moet de tienjaarstermijn worden toegepast.
Logies en cultuur van 9% naar 21%
In het hoofdlijnenakkoord HOOP, LEF en TROTS is afgesproken het verlaagde tarief per 1 januari 2026 af te schaffen voor:
- het verstrekken van logies, zoals verhuur van hotelkamers, gemeubileerde vakantiewoningen of stacaravans voor korte periodes, met uitzondering van het gelegenheid geven tot kamperen
- culturele goederen en diensten: kunst, het uitlenen van digitale en papieren boeken, kranten en tijdschriften, gelegenheid geven tot sportbeoefening en baden in een sportaccommodatie, toegang tot musea, muziek- en toneeluitvoeringen, toegang tot sportwedstrijden en demonstraties en optredens van uitvoerende kunstenaars. Bioscopen en dagrecreatie zoals dierentuinen en pretparken vallen erbuiten.
De verhoging moet de schatkist meer dan € 2 miljard opleveren. Voor burgers en niet-aftrekgerechtigde bedrijven en instellingen worden deze goederen en diensten daardoor naar alle waarschijnlijkheid fors duurder. In het regeerprogramma is opgenomen dat schoolbesturen in het primair, voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs worden gecompenseerd voor de verhoging op leermiddelen.
Om te voorkomen dat een aanschaf in 2025 voor een prestatie in 2026 een tariefsvoordeel oplevert, is bepaald dat beslissend is wanneer de dienst wordt verricht. De verkoop van een ticket voor een concert in 2026 is dus belast met 21% btw, ook als het ticket in 2025 wordt verkocht.
Het kabinet heeft geen impactanalyse uitgevoerd, en staatssecretaris Idsinga heeft de Tweede Kamer laten weten dat die er ook niet komt. Dat is naar onze mening onverstandig. Onderzoek van ABN AMRO naar de impact in de logiessector laat zien dat de overheid de opbrengsten overschat en geen rekening houdt met voorzienbare tegenvallers. Het zou wenselijk zijn dat het kabinet, desnoods onder druk van de Kamer, alsnog tot een impactanalyse besluit. Daarnaast is geen objectieve rechtvaardiging gegeven voor het handhaven van het verlaagde tarief voor kampeerterreinen, bioscopen en dagrecreatie. Die keuze lijkt louter op populistische overwegingen gebaseerd.
8% overdrachtsbelasting voor beleggerswoningen
Het algemene overdrachtsbelastingtarief van 10,4% wordt verlaagd naar 8% voor de verkrijging van woningen door beleggers, om investeren in private huur, middenhuur en vrije huur aantrekkelijker te maken. Het tarief wordt per 1 januari 2026 ingevoerd. De maatregel staat nog niet in het Belastingplan 2025, maar wordt uitgewerkt en vóór 21 oktober naar de Tweede Kamer gestuurd.
Vanaf 2026 gelden daarmee vier tarieven: het algemene tarief van 10,4%, het nieuwe tarief van 8% voor beleggerswoningen, het sinds 1 januari 2025 geldende tarief van 4% voor bepaalde vastgoedaandelentransacties en het tarief van 2% voor eigen woningen. Daarnaast bestaat de startersvrijstelling.
Weer een nieuw tarief maakt de overdrachtsbelasting nog complexer dan zij al is, terwijl het naar onze mening zeer de vraag is of deze verlaging beleggers over de streep trekt. Het aanbod is krap en de prijzen zijn daardoor hoog, terwijl beleggers ook te maken hebben met regulering die huurprijzen maximeert en het moeilijk maakt afscheid te nemen van slechte huurders. Voor een aantrekkelijker woningmarkt is het verstandiger niet alleen aan een tariefknop te draaien, maar te kiezen voor een bredere en vooral bestendige aanpak van onwenselijke belemmeringen.
Overige maatregelen
In de Fiscale Verzamelwet 2025 is voorgesteld dat een sleuteloverdracht voorafgaand aan de juridische verkrijging niet wordt beschouwd als een belastbare economische verkrijging. Daarnaast is voorgesteld de startersvrijstelling te verruimen tot de verkrijging van de economische eigendom, en de vrijstelling voor het terugverkrijgen van woningen bij een verkoop onder voorwaarden uit te breiden tot de aanhorigheden bij die woningen. In het Belastingplan 2025 is verder de reikwijdte van de kavelruilvrijstelling beperkt, door woningen en andere opstallen die niet voor agrarische doeleinden worden gebruikt uit te sluiten.